GeschiedenisHet eerste Muntersaltaar werd reeds in 1530 ingewijd en geplaatst onder het patronaat van Sint-Elooi. Het werd in 1566 door de Beeldenstormers grotendeels vernield. Onmiddellijk na de bevrijding van Antwerpen in 1585 lieten de munters een nieuw altaar optrekken, versierd met hun insignes. Dankzij de financiële steun van muntmeester Robert van Eeckeren werd het altaar in 1587 bekroond met een beeld van Sint-Elooi, patroonheilige van de munters. Het altaar werd op 18 januari 1588 door Mgr. Torrentius, bisschop van Antwerpen, toegewijd aan de H.H. Eligius, Petrus en Antonius. In hetzelfde ambitieuze elan werd een drieluik besteld bij Maarten de Vos (1532-1603), één van de meest bekende schilders in het toenmalige Antwerpen en in die periode overladen met bestellingen. Pas in 1601 kon daarom het prachtige kunstwerk ingehuldigd worden.
In 1798 werd het drieluik door het revolutionaire Franse Bewind aangeslagen voor de École Centrale. Hoewel de kerkfabriek pogingen ondernam om dit prachtige altaarstuk terug te krijgen, kwam het toch in de oorspronkelijke collectie van het Koninklijke Museum voor Schone Kunsten terecht. Het altaarmeubel zelf bleef in de St.-Andrieskerk, samen met de predella's en de extra zijstukken. Na overleg met alle bevoegde instanties verkoopt de kerkfabriek het altaarmeubel in 1829 omdat het sterk aangetast was door houtworm. De predella's en de zijstukken werden gelukkig wel behouden. De predella's werden in de kerkmeesterskamer opgehangen, de luiken in de sacristie. Nadien hingen alle vier de grisailles in de sacristie.
Opstelling
Hoe het Muntersaltaar er uitzag kunnen we enkel bij benadering schetsen: een houten portiekaltaar met altaartafel, kaarsenbank en een bijzonder hoge predella waarin twee horizontale grisailles waren bevestigd. De portiek bestond uit een horizontale kroonlijst gesteund door twee zuilen. Boven de kroonlijst was er een beeld van Sint-Elooi uit 1587. Tussen de twee zuilen was het middenpaneel gemonteerd, met twee scharnierende zijpanelen. Bij het sluiten van het drieluik kwamen nog twee bijkomende panelen te voorschijn. Deze twee panelen zijn bovenaan afgerond.
Het altaarstukZowel het drieluik als de vier grisailles zijn uitgevoerd in olieverf op een eikenhouten paneel. Het middenpaneel is gesigneerd en gedateerd in de linkerbenedenhoek: ''M.D.V.F. 1601''. Op de buitenzijde van het rechterluik kwam de signatuur blijkbaar nogmaals voor: ''M.D.VOS. ANNO 1601''. Het drieluik brengt vier bijbelse taferelen in beeld waar geld aan de orde is.
Middenpaneel met De keizerspenningMaarten de Vos, middenpaneel, 1601, hout, 253 x 220 cm, Antwerpen, KMSK, cat. nr. 83. Een reproductie op ware grootte, door Agfa-Gevaert, vervangt voorlopig (?) het origineel op het altaar.
Bijbelse bron: Belasting aan de keizer (Lc. 20,21-26) (= Mt.22,15-22; Mc.12,13-17)
20 Om Jezus in het oog te houden zonden zij [de schriftgeleerden en de hogepriesters] spionnen die zich vroom moesten voordoen om Hem op een of ander woord te betrappen, waardoor ze Hem konden uitleveren aan het oppergezag van de landvoogd.
21 Ze stelden Hem de vraag: 'Meester, wij weten dat Gij onomwonden de waarheid spreekt en onderwijst, en de weg van God zonder aanzien des persoons in oprechtheid leert.
22 Is het ons geoorloofd aan de keizer belasting te betalen of niet?'
23 Maar Hij doorzag hun arglistigheid en zei tot hen:
24 'Laat Mij eens een denarie zien. Van wie draagt hij de beeldenaar en het opschrift?' Zij antwoordden: 'Van de keizer'.
25 Daarop sprak Hij tot hen: 'Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt'.
26 Zo waren zij niet in staat Hem in het openbaar in zijn woorden te vangen. Verbaasd over zijn antwoord deden zij er het zwijgen toe.
Christus staat in het midden van het tafereel en geeft antwoord op de vraag van een farizeeërleerling of men aan de keizer belastingen moet betalen. De vraag die de farizeeërs stellen komt schijnbaar voort uit eerbied voor de wet, maar in werkelijkheid ging het om een strikvraag. Zo Jezus hun vraag instemmend beantwoordde, kwam Hij niet tegemoet aan de joodse verwachtingen omtrent de Messias, die werd immers verondersteld ook de nationale rechten van het joodse volk te behartigen tegen de Romeinse bezetters. Antwoordde Jezus ontkennend, dan konden zij Hem als opstandeling bij de landvoogd Pilatus aanklagen. De joden hadden gehoopt en gedacht dat Jezus in de valstrik zou lopen. Groot was dan ook hun verbazing over zijn gevat antwoord; zozeer dat er zelfs een zekere bewondering in de bijbelbewoording af te lezen valt. Geef aan God wat van God en aan de keizer wat van de keizer is, is als uitdrukking opgenomen ook in de Nederlandse taal opgenomen (F. Il faut rendre à César ce qui est à César, et à Dieu ce qui est à Dieu. E. Render to Caesar the things which are Caesar's, and to God which are God's). Als burger heb je zowel verplichtingen tegenover God als de staat.
Linkerzijluik met De tolpenningMaarten de Vos, linkerpaneel, 1601, hout, 248 x 84 cm, Antwerpen, KMSK, cat. nr. 84.
Petrus haalt een penning uit de muil van een vis om voor Christus en voor hem tol te betalen.
Bijbelse bron: Mt.17,24-27
24 Toen zij in Kafarnaüm waren aangekomen, kwamen de inners van de tempelbelasting op Petrus af en zeiden: 'Betaalt uw Meester de didrachmen niet?'
25 Hij antwoordde: 'Welzeker!' Maar toen hij het huis binnenging, voorkwam Jezus hem met de woorden: 'Wat dunkt u, Simon? Van wie heffen de aardse vorsten tol of belasting, van hun kinderen of van vreemden?'
26 En toen hij antwoordde: 'Van vreemden', zei Jezus tot hem: 'Dus de kinderen zijn vrij.
27 Maar toch om hun geen aanstoot te geven: ga naar het meer, werp uw haak uit en grijp de eerste vis die boven komt; maak zijn bek open en gij zult een sater vinden; betaal daarmee voor Mij en voor u'.
Rechterzijluik met Het penninkje van de weduweMaarten de Vos, rechterpaneel, 1601, hout, 248 x 84 cm, Antwerpen, KMSK, cat. nr. 85.
Christus houdt zijn leerlingen voor dat het offer van de arme weduwe meer verdiensten heeft dan dit van welstellenden. De intentionele waarde van een geschenk valt niet zomaar af te leiden van de absolute waarde ervan, maar hangt minstens evenzeer af van het relatieve karakter ervan, d.i. de verhouding van het geschenk tot het globale bezit van de schenker.
Bijbelse bron: Mc.12,41-44 (= Lc.21,1-4)
41 Jezus ging tegenover de offerkist zitten en keek toe, hoe het volk koperstukken daarin wierp, terwijl menige rijke er veel in liet vallen.
42 Er kwam ook een arme weduwe die er twee penningen, ter waarde van een cent in wierp.
43 Hij riep nu zijn leerlingen bij zich en sprak: 'Voorwaar, Ik zeg u: die arme weduwe heeft het meest geofferd van allen die iets in de offerkist wierpen;
44 allen wierpen ze er iets in van hun overvloed, maar zij offerde van haar armoe al wat ze bezat, alles waar ze van leven moest'.
Predella, linkerpaneelMaarten de Vos, De muntmeester Elooi ontvangt de vorst in het koninklijke muntatelier, 1601, grisaille op hout, 36 x 82 cm.
Rechts betreedt koning Clotharius II met zijn gevolg de werkplaats van Bobbon, Eligius' leermeester. De jonge Eligius reikt zijn vorst een beker. Achter de jonge man staat Bobbon, die groetend zijn muts afneemt. Links achteraan werken twee mannen aan een lange tafel. Uiterst links smelt een gezel edelmetaal in een hoge schouw, naast de schouw werken twee smeden. Het betreft een voorstelling van een muntersatelier zoals het bestond toen dit altaarstuk geschilderd werd.
Predella, rechterpaneelMaarten de Vos, Bisschop Elooi en de reliekschrijnen van de heiligen Quintinus, Crispinus, Crispinianus en Piatus, 1601, grisaille op hout, 36 x 82 cm
Eligius in bisschoppelijk ornaat buigt zich voorover om een geraamte te zegenen, het werd net uit een diepe kuil opgegraven door een man die het skelet in een stenen sarcofaag plaatst. De bisschop is vergezeld door een dienaar met een kruis en een monnik met Eligius' kromstaf. Over het schilderij verdeeld staan drie groepen mannen, die op hun schouders het reliekschrijn wegbrengen naar een kerk rechts. Op de achtergrond links verrijzen gebouwen in renaissancestijl.
Dit tafereel verwijst zowel naar Eligius' zorg voor de overledenen, als naar het aanwenden van zijn vakmanschap voor godsdienstige waarden, in casu de verering van heiligen.
Bijluiken, Vrijgevigheid versus Gierigheid, Hendrik van Balen (?)

  |  De Gierigheid Op het voorplan giet een man een zak vol munten uit in een grote pot die hij wil begraven, een schop aan zijn voeten. Hij heeft geen oog voor de drie sjofele figuren die zich zorgen maken, een slaat uit wanhoop de armen om het hoofd. Zij zitten voor hun armzalig houten huisje met een rieten dak, het grote stenen huis van de rijke staat op de achtergrond. Op het achterplan wordt het gevolg van de gierigheid aanschouwelijk voorgesteld: in het bijzijn van Christus, gekleed naar de eigentijdse mode van de schilder, wordt de rijke vrek in een dampende put geworpen: de helse straf.
|

  |  De Liefdadigheid Op het voorplan wordt een groep figuren voorgesteld. Links nemen twee mannen geldstukken uit een kist en geven ze aan een arme, halfnaakte man. Naast hem zit een vrouw met een kind. Een weldoener man met tulband reikt haar een kleed aan. Een kleine jongen, naast haar, kijkt buiten het schilderij. Op het tussenplan toont Jezus - identiek gekleed als op het andere bijluik - de hemel aan een knielende man. Helemaal bovenaan is de triomferende Christus van het Laatste Oordeel te zien, zittend op een regenboog, omgeven door cherubijntjes en vereerd door vier knielende figuren, onder meer Johannes de Doper en Maria. Hij verwelkomt allen die het goede zochten in hun leven op aarde.
|
Laatste wijziging op 1/2/2003 door
Claire Baisier 
.